de waarzegster

Gelukkig ziet de tent er volstrekt niet pompeus uit, het sobere ding valt in het niet bij de rijkelijk versierde kollos die ernaast staat. Als de tent van de waarzegster er zo uit had gezien als die van de leugenaar dan was mijn scepsis in alle waarschijnlijkheid aanzienlijk minder subtiel geweest. Ik loop naar binnen, twee stappen zijn voldoende om me naar het midden van de tent te voeren, de waarzegster staat voor me met een gelaat dat door mij niet te lezen is. “Zal ik rijk worden?”, vraag ik. Ik weet niet of haar blik even nog indringender wordt of dat het mijn fantasie is. In spanning bereid ik me voor op het antwoord dat niet komt. Ik laat me niet uit het veld slaan. “Zal ik ooit gelukkig worden?” Weer is mijn voorbereiding niet onnoemenswaardig, maar weer blijft het antwoord uit. Had ik dan toch bij de leugenaar naar binnen moeten stappen? De grootte van zijn tent doet in ieder geval wel vermoeden dat hij zijn publiek niet ongemoeid laat. “Zeg eens iets waars?” Weer een stilte, ik steek mijn middelvinger op en loop weg.

Even twijfel ik terwijl ik voor de tent van haar buurman sta. Een clown werpt de flappen open en spreekt met verheven stem: “Treedt binnen, en spreekt met de leugenaar.” Een dergelijk commando laat zich niet weigeren, ik loop naar binnen en de clown volgt op mijn hielen. Het reusachtige ding is op twee stoelen na helemaal leeg. “Neemt plaats,” spreekt hij terwijl hij plaats neemt. Ik doe wat hij beveelt, en vraag met een gemoed vol verbazing: “Bent u de leugenaar?” “Ja,” antwoord hij vastberaden. Even lijkt het alsof ik vast kom te zitten in redeneringscirkel, ik heb geen idee hoeveel tijd er passeert. Dan doorbreekt iets in me het, en stamelt: “Maar als dat zo is, dan is dat niet zo.” Wat een paradoxaal scenario danst de glimlach op zijn lippen. Terwijl mijn denken nog steeds haar eigen staart achtervolgt begint hij uit het niets te praten: “Een leugen is een zin die niet waar is, is het niet? Maar wat is waar, wat maakt een zin waar? Leermeester Ludwig, van wie ik één van de vele leerlingen was, zei mij eens het volgende:

 

‘Dat is appel.’

‘Dat is waar,‘ zei ik.

‘Maar wat is een appel?’

‘Nou dat.’

 

Wat ik zeg heeft geen betrekking op wat is, maar op hoe ik denk. Wij denken ongeveer gelijk en kunnen daarom een wereld delen. Dan kunnen we samen spelen dat binnen die wereld dingen waar en onwaar zijn, maar die wereld is niet waar, echt waar. En alles wat ik zeg binnen een onware wereld is noodzakelijk onwaar, en daarom ben ik de leugenaar.” “Oh! Dus daarom zei de waarzegster niets.” Ben ik nou verdomme weer de verkeerde tent binnen gelopen, ik steek mijn middelvinger op, en loop weg.

De zeven minst wonderlijke dingen der wereld.

Op een goede dag besloot ik dat het nodig was om de wereld uit te balanceren. Als er de zeven wonderen der wereld bestaan, dan moeten  toch zeker ook de zeven minst wonderelijke dingen der wereld bestaan. Ik trok de wereld in op zoek naar dat wat niet of slechts in zeer geringe mate  wonderlijk was. Ik zag zoveel, maar van niets dat ik zag was het bestaan dusdanig voor de hand liggend dat het niet-wonderlijk genoemd kon worden. Er was niets dat ik zag dat zo logisch was dat het uit zichzelf kon worden verklaard. De bewegingsloze dans der bomen, het golfslagveld tussen land en water, de wolken die het water dragen, zijn, en uitstorten om het leven te geven, wanneer ik het wonder er niet in zag was dan was dat enkel omdat ik het eerder al had gezien, en mijn ogen had gesloten. Teneergeslagen keerde ik terug naar huis. Ik haalde het lege lijstje uit mijn broekzak, met de intentie het op te proppen, en te verwerpen. Nog eenmaal las ik de zeven woorden en riep een achtste; eureka!

Woorden halen het wonder uit de wereld, woorden maken het altijd nieuwe tot het reeds bekende. Geef het dezelfde naam en het ene ding wordt gelijk aan het andere. De mens is het dier dat denkt dat als hij dingen een naam geeft dat hij ze dan heeft begrepen; ‘natuurlijk weet ik wat dat is, dat is een appel’. Waarmee niets over het ding gezegd is, maar alleen iets over mij, en mijn appel idee.

Woorden beroven de wereld van het leven, maar ja, dat dit überhaupt kan is natuurlijk ook wel heel erg wonderlijk. Wat zijn woorden? Is een woord een benaming of een betekenis die je kan kennen? Hoe leer je ze kennen, en hoe krijgen ze hun betekenis? Hoe ontstaan woorden? Is een woord dat nog nooit eerder is gebruikt eigenlijk wel een woord? Ik sla een klank uit, en bedoel daar iets mee, maar hoe weet jij wat ik bedoel als die klank niet al een woord is? Beginnend bij de ‘a’ roep ik ‘aap’ en wijs naar een plaatje van een aap, (vreemd genoeg niet naar die zo overvloedige tweebenige, dat leggen we later wel een keer uit) ik doe dit een aantal keren, en intuïtief zal klank aan plaatje gekoppeld worden. En ooit zal ik misschien de hele familie van plaatjes waar je aap tegen kan zeggen begrijpen, ik zal ze nooit allemaal kennen, maar wel begrijpen aan de hand van andere namen, zoals ‘vacht’ en ‘slingeren’.

Maar hoe is het dan ooit begonnen, hoe hebben de eerste klanken betekenis gekregen? Waren het kreten die intuïtief, gevoelsmatig werden begrepen. De ene aap snapt de andere als deze ‘gevaar’ roept in de taal die ze delen. Maar als de intuïtie ten grondslag ligt aan taal, en taal op zijn beurt het fundament is van de ratio, is dan niet één van de meest belachelijke dingen denkbaar om de intuïtie te bagataliseren en de ratio te zien als een middel om tot begrip te komen? Maar ik dwaal af, al met al lijkt het me duidelijk dat ondanks dat ze afdoen aan het wonder, woorden opzich een wonder zijn. Ik laat het lijstje leeg.

 

 

claxoneren kun je leren

(Een pleidooi voor meer agressie in het verkeer.)

Smeltende ijskappen en een met rasse schreden achteruithollende biodiversiteit, onze collectieve voetafdruk dreigt de aarde te verpletteren. We zijn met veel, waarschijnlijk zelfs wel te veel, daar wil de partij voor verhuftering iets aan doen. Aangezien elk mensenleven garant staat voor een gigantische CO2 uitstoot, begint emissiereductie bij bevolkingsdecimatie.  Het is ronduit belachelijk dat we onze bevolking met allerhande medicijnen en orgaantransplantaties in de vele gemokuurorden die ons land telt op dat absurd hoge peil proberen te houden. (In feite is het niet ondertekenen van je donorcodicil ook een vorm van CO2-conpenstatie.) Daarnaast heeft ook nog eens een veel te groot deel van die al veel te grote populatie, een auto. Ik zou willen zeggen; “red de ijsbeer, druk eens een keer iemand van de weg af.”  

 

Vleesoffers voor de wetenschap.

Toch op zijn minst al enkele decenia is het bestaan van God afgeschaft. De priesters van ons nieuwe geloof geloven niet in geloven, ze geloven in weten, en hebben ons dat ook leren doen. Het ‘hoe’ wordt verklaard, en het ‘waarom’ wordt vergeten. Dit ging allemaal gepaard met het ontstaan van het idee dat er voor alles dat gebeurt een logische verklaring is, en dat die verklaring te weten is. Uit dit idee kan men dan vervolgens concluderen dat God niet bestaat. Je zou natuurlijk ook kunnen concluderen dat de uitgebreidheid van God een interne logica bevat, een idee dat door bijvoorbeeld Spinoza werd aangedragen. Maar deze conclusie werd verworpen met niet meer onderbouwing dan: Als iets werkt, en je denkt te weten hoe het werkt, dan is het toch logisch dat er niet meer bij komt kijken dan dat werken zelf.

Het waren de christenen geweest die God hadden geketent, en naast zijn genagelde zoon in een kooi hadden gestopt. Met die kooi gingen ze vervolgens van dorp naar dorp om de onwetenden angst in te boezemen en ze te overtuigen van hun grote macht. Een geketende uit de wereld verwijderde God was een makkelijke prooi voor de wapenen van de wetenschappers, zonder mededogen en tot de dood erop volgde zetten zij hun ratio’s in het externe almachtige wezen dat aan alle touwtjes trekt. De christenen rijden nog wel rond met die twee doden in die kooi, maar de lachende derde ontbreekt. Ze maken dan ook een beetje een lullige indruk.

Met bovenstaande probeer ik enkel aan te tonen dat de wetenschap een toch op zijn minst even belachelijke religie is als het christendom. Dat het evenals iedere andere religie een systeem betreft dat enkel is gebaseerd op in zichzelf gefundeerde dogma’s en tradities (Denk bijvoorbeeld aan het subject dat objectief waarneemt). De torens zijn hoger, de onwetenden banger dan ooit tevoren, en de wonderen overvloedig, ja als religie doet de wetenschap het niet slecht. Dat terwijl het in feite een gigantische stap terug lijkt in de evolutie van menselijk geloof, want wat is de wetenschap anders dan een steriel animisme? Ondanks dat alles goed werkt, weet niets van zichzelf hoe het werkt, alles wordt aangestuurd door levensloze wetten. En de mens is het enige wezen dat in staat is deze wetten te ontrafelen, en dat maakt ons de goden! Maar weten wij zelf wel hoe wij werken? Ons hele leven is gegrondvest in bewustzijn, als er iemand is die weet hoe hij dat doet, laat die dan nu opstaan!

De wetenschap ontkent eenheid, en is daarmee een stap terug voor de mensheid. Met vrijwel elk criterium dat niet de capaciteit tot het manipuleren van materiaal is, betreft de wetenschappelijke revolutie een forse stap terug. Laten we wel wezen, zelfs de vleesoffers zijn terug. Als er niet opstaat dat het gegarandeerd proefdiervrij is dan is het dat niet. Geen offer is te groot waar het het gunstig stemmen van de Ratio betreft. 

 

als een trein

Vandaag heeft hij geen zin, geen zin om te stoppen ook. Toen hij vanochtend opstond wist hij het eigenlijk al meteen; vandaag zou niet zijn beste dag zijn.

Verontwaardigd ziet hij de mensen kijken die staan te wachten op de trein waarmee hij onverbiddelijk de stations voorbij rijdt. “Dat zal ze leren”, hoort hij zichzelf denken, “moeten ze maar niet zo achterlijk zijn om net als ikzelf hun hele leven lang één of ander kutwerk te doen, waarin ze toch nooit zin hebben.” Want hij weet dat dat is waar het gros van hen naar op weg zijn.

“Doe iets! Doe iets anders, iets anders dan dat, dat waar je vrijwel nooit zin hebt,” schreeuwt iets in hem.  Hij trapt op de rem, stapt uit, en loopt het bos in.

De bomen die staan waar zij staan ontvangen hem niet doch hartelijk. Nu hij erover nadenkt was vandaag eigenlijk misschien juist wel zijn beste dag in tijden.